Aardappels in de regen

Aangezien Pol tot vrijdag in Parijs bivakkeert, deze week een aantal gastbloggers. De gebroeders Nijman en  T.G. Gritter zullen in de geest van Pol bloggen. Althans: dat hoopt zij.

Woensdag 16 juni
Locatie: Vlagtwedde, Den Bosch en elders
Tijd: 02.00 uur in de afgelopen nacht, maar vooral de combinatie van toen, kort geleden en nu

Op de foto zie ik een ingepakte carrousel. Waarschijnlijk houdt het er omheen gespannen doek talloze, steigerende houten paarden verborgen. Duizenden kinderen hebben er al opgezeten, kraaiend van de pret zodra de draaimolen zich onder begeleiding van bescheiden draaiorgelmuziek in beweging zette, na het luiden van de bel. De kleurige paarden, de zon weerkaatsend op de glimmende lak, gingen misschien wel op en neer. De foto toont schaduw, dus heeft de fotograaf ‘m geschoten op een mooie, heldere dag. Geen regen aan deze kust.

Regen. De Nederlandse (maar door Frankrijk geannexeerde) schilder Johan Bartold Jongkind (1819-1891) schreef erover tijdens zijn talloze verblijven aan de Normandische kust. Een mooie, nee, een prachtige kust, zo vond hij, die hem -net als de Seine in Parijs- inspireerde tot schitterende aquarellen, die door zijn stilistische vondsten mensen als Monet en Manet aanzetten tot de ontwikkeling van het impressionisme. Fantastische wolkenpartijen, zo schreef Jongkind, die als Nederlander toch best al wel verwend was op dat vlak. Alleen die regen. Telkens weer moet hij zich naar binnen spoeden, omdat de talloze buien het hem onmogelijk maakten verder te werken. Het heeft hem niet weerhouden van grootse prestaties, ook al klaagde hij nogal eens over zijn gezondheid.

Je door- en doornat laten regenen moet in Jongkinds tijd risicovoller zijn geweest dan heden ten dage. Een verkoudheid is nog tot hier aan toe; daar was toen niets aan te doen en tegenwoordig ook niet. Tegen virussen lijkt geen kruid gewassen. Vervelender was het als de verkoudheid niet goed werd uitgeziekt en zich uitbreidde naar een bacteriële infectie van luchtwegen, voorhoofds- of kaakholtes. Tegenwoordig overlijden er nog altijd mensen aan een longontsteking, maar meestal als complicatie van of bij een veel ingewikkelder ziektebeeld. In Jongkinds dagen was de kans op nare ontwikkelingen vele malen groter. Geen antibiotica, geen ziekenhuizen waar men indien nodig operatief een schedelholte kon spoelen en aldus van viezigheid ontdoen.

De regen is geen vijand meer, tenzij de hemel zich dagen- of zelfs wekenlang volledig opent. Dan opeens komen de verhalen weer van antieke gemalen, die na jaren van stilstand zich toch nog maar eens moeten bewijzen in de strijd tegen het water. De aardappels rotten weg. En als het echt erg is, worden alle bewoners van het land van Maas en Waal naar hoger gelegen gebieden gedwongen.

Vanmiddag fietste ik in een ferme bui. Het vervelendst vind ik dan dat je soms je ogen tot spleetjes moet samendrukken en dus bijna niks ziet. Mijn broek plakte in no time op mijn vel, het leer van mijn schoenen zoog zich vol. Geen ramp, want tien minuten later verkeerde ik in de aangename warmte van de huiskamer, de schoenen op de keukenmat, de broek op de verwarming, de jas uitdruppelend op de rugleuning van een eetkamerstoel. Een handdoek over het hoofd, droge sokken en een behaaglijke joggingbroek aan, verse earl grey gezet en het leed was tot een aangenaam gevoel verheven.

Ik nam plaats in de luie stoel bij de verwarming en keek naar buiten, zo ver als het flink beregende raam het toeliet. Ik zag mezelf terug als kleine jongen van zes, toen ik in de vakanties altijd te vinden was bij een keuterboer en hem mocht helpen. Zo zag ik het althans; voor hem moet het toch een hinderlijk soort in de weg lopen zijn geweest. Hij liet het in ieder geval nooit blijken. Misschien was het wel omdat hij en zijn vrouw zelf nooit kinderen gekregen hadden. Zijn mildheid was in ieder geval groot, zelfs wanneer ik het paard voor de wagen weer eens in een verkeerde richting had gestuurd. Maar een boer is nooit kinderachtig. Hij nam mij dan zeker ook niet in bescherming tegen de elementen. Eenmaal buiten op het land kón het natuurlijk gaan regenen, maar de boer… hij ploegde voort. Geen wanklank kwam er over mijn trillende lippen, want die stoerheid moest natuurlijk overgenomen worden. Pas wanneer het tijd was voor een kop thee, kreeg ik de gelegenheid om bij te komen. De boerin hielp mij uit mijn overall, haalde het kledingstuk door de wringer en hing hem vlak bij de houtkachel. Na korte tijd sloeg de damp eraf. Ze wreef mijn koude, rode vel droog met een ruwe handdoek, streelde even door mijn haar en zei iedere keer weer dat ik later vast een goede boer zou worden. Om vervolgens haar glimlachende man quasi streng terecht te wijzen dat hij zo’n kind toch niet in de regen moest laten lopen. Waarop ik repliceerde dat ik het helem.mm..mm..aal niet erg vond, want het werk moest toch gedaan worden. De boer knikte instemmend en stak de brand in z’n pijp. Voor de boerin was dat aanleiding om ook even uit te rusten. Ze nam mij op haar schoot en verwarmde mijn blote lijf al schommelend in een vervaarlijk krakende stoel. Af en toe drukte ze haar lippen op mijn haren en neuriede zacht een weemoedige melodie. De blik in haar ogen kon ik toen nog niet duiden. Pas veel later herkende ik haar stille verdriet.

Deze vriendschap koesterde ik en iedere dag was ik weer vroeg paraat. Ik rende het niet verharde pad naar de boerderij op en werd dan altijd verwelkomd door de Deense dog, die mij log hollend en luid blaffend tegemoet kwam, vlak voor mij stil hield, nog een laatste blaf in mijn gezicht blafte en vervolgens op z’n rug ging liggen om over zijn buik te worden geaaid. Veel lawaai, weinig wol, en net zo zacht van aard als zijn baasjes.

Vele jaren later stond ik voor De Aardappeleters van Van Gogh. Er ging een schok van herkenning door me heen. Hoewel een kind van het platteland, zette ik grote ogen op toen ik voor het eerst de warme maaltijd nuttigde bij de boerin. Zij maakte eenpotsmaaltijden, die tot op de dag van vandaag een voor mij onduidelijke massa bevatten (ja, aardappels, maar de rest..?), en keerde de pan gewoon om, zodat de inhoud midden op het zeil terecht kwam, dat de keukentafel bedekte. Drie lepels lagen klaar. De boer, hongerig van het zware werk, viel aan en schepte haastig zijn lepel vol uit de berg op tafel. Zijn vrouw deed het hem na en moest mij uit mijn verbazing wekken. Wat restte (er bleef altijd iets over) ging in een kom voor de hond. Ik heb het nooit aan mijn moeder verteld, bang als ik was dat ze me zou verbieden om nog naar de boer te gaan.

Het is nu midden in de nacht. Het autoverkeer is eindelijk tot rust gekomen en de nacht mag een weldadige rust uitdelen, ondanks de harde wind die buiten thuishoudt, de bomen en struiken buigt en de regen van een striemend karakter voorziet. Ik ga zo naar bed en zal dan het slaapkamergordijn weer een stukje opendoen om in het flauwe licht van de straatlantaarn naar de dansende twijgen van de berk te kunnen kijken. En naar de regen, die zoete herinneringen schenkt en vervolgens de slaap.

T.G. Gritter

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: