Stoppen of doodgaan
Toen de vrouw binnenkwam in onze coupé, groette ze mij niet, maar hoestte ze flink. Een indrukwekkend geblaf, met zo nu en dan een benauwde piep kwam uit haar luchtpijp naar boven. Haar bovenlichaam kromde zich bij iedere hoest. Alsof haar middenrif verkrampte zichtbaar pijnlijk. Na enkele minuten was het over. De trein reed het station uit en de vrouw pakte een zakdoekje uit haar tas. Haar betraande wangen werden gedroogd en ze spuugde in het textiel. Een grote, glimmende klodder werd nauwkeurig verpakt in de kleine doek. Die verdween na enig aanduwen in de zak van haar te strakke spijkerbroek.
Ze keek op en ik knikte haar vriendelijk toe. “Gaat het?” vroeg ik. “Jazeker,” antwoordde ze met een hese stem. Af en toe heb ik dat nog. Dat krijg je ervan. Veertig jaar het zware spul gerookt.”
Zonder op een reactie te wachten, dook ze haar tas in. Een mobieltje verscheen. “Vindt u het erg als ik even bel?” vroeg ze me. Ik schudde mijn hoofd. Was benieuwd wie ze moest spreken. “Ah, dag Tiny, met mij. Dag meid. Hoe is het met je?” Haar stem was merkwaardig zwaar van toon. Ik kon er geen vrouwelijkheid in ontdekken.
“Wat een verhalen weer van jullie kant. Hoe is het nou met Ton? Oh ja? Tja, dotteren, dat doen ze dan hè, bij een verstopping. Hoefde hij geen bypass dan? Als het heel erg is met de vaten, dan moeten ze dat doen. Nou, ik kan je vertellen, daar is niks aan hoor. Ik heb er nu twee gehad. Is toch iedere keer weer angstig. Al dat gesnij. Hoewel, prima cardioloog hoor. Daar wil ik niks lelijks over zeggen. Die had handjes joh. Een kunstenaar is er niets bij, zo fijn als ie kon werken.”
Onze trein reed intussen over de brug bij Zaltbommel. In de voetsporen van Martinus Nijhoff. De Waal verscheen en uitgestrekte uiterwaarden omsloten het glinsterende water. Flitslichten werden in hoog tempo op het coupé-interieur geprojecteerd. Het wegdek van de brug hing aan prachtige spijlen, die met iedere meter van onze trein voor een lichtshow zorgden. Mijn overbuurvrouw leek er overigens niets van te merken. Die had vlak voor we de brug opgingen, haar ogen dicht gedaan. Ze had een geconcentreerde blik.
“Ja, ik weet nog goed hoe dat ging. Dat zal Ton ook wel merken. Eerst denk je, die dokter kan me wat met zijn gewauwel over stoppen. Maar ja, uiteindelijk denk je dan toch: hij heeft wel ergens een punt natuurlijk. Ik bedoel, al dat gestoom ken niet goed zijn voor je. Dat weet Ton ook wel.”
Haar ogen gingen weer open. Ze pakte haar zakdoek en wreef onder haar oog. Een glimmend laagje bleef achter.
“Bij mij kwam het keihard binnen, toen die arts gewoon zei: mevrouw, het is stoppen of doodgaan. Nou, die zat natuurlijk wel. Dus ik heb nog proberen te onderhandelen met ‘m. Zo van, één sigaretje in de week kan toch geen kwaad? Maar hij hield vol: stoppen of doodgaan. Nou ja, dat hoef je niet twee keer tegen mij te zeggen. Dus ik ben gekapt met dat zware spul. Zo, van de ene op de andere dag. Kostte me totaal geen moeite. Hè? Wat zeg je? … Nou, nee, niet helemaal natuurlijk. Zo heel af en toe, neem ik nog een mentholtje of een goede filter. Dat moet kunnen. Gewoon, na het eten ‘s avonds. En ‘s ochtend vroeg. Voordat de dag begint. Anders kan ik me niet ontspannen hè. En geen stress, dat scheelt me zo een extra hartoperatie. Ja, toch?”
